Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA5795

Datum uitspraak2007-05-16
Datum gepubliceerd2007-05-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/3782 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering ziekengeld met terugwerkende kracht. Zorgvuldigheid?


Uitspraak

05/3782 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 juni 2005, 05/862 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 16 mei 2007 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen laten vertegenwoordigen door A.C.M. van de Pol. II. OVERWEGINGEN Voor een weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar rubriek 2 en 3 van de aangevallen uitspraak. In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het Uwv terecht heeft besloten om aan appellant met ingang van 11 januari 2005 geen uitkering ingevolge de Ziektewet meer toe te kennen, omdat hij op en na deze datum niet (meer) ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid als algemeen medewerker bij [werkgever]. De rechtbank heeft die vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord en daarbij betekenis toegekend aan de conclusies van de verzekeringsarts A. Özyurt en de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick, vervat in de rapportages van 11 januari 2005 en 15 maart 2005. In hoger beroep heeft appellant in essentie dezelfde grieven naar voren gebracht als in bezwaar en beroep. Bij zijn oordeelsvorming heeft de Raad - evenals de rechtbank - betekenis toegekend aan de conclusies van de verzekeringsarts Özyurt en de bezwaarverzekeringsarts Van Gulick. Ook de Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden voor een ander oordeel. De Raad constateert daarbij dat appellant zijn stellingen noch in beroep noch in hoger beroep heeft onderbouwd met medische gegevens die aanleiding zouden geven te twijfelen aan de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Ook ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen. In dit verband merkt de Raad op dat appellant geweigerd heeft een lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts te ondergaan en dat hij tevens niet op het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts is verschenen. De Raad is ondanks het vorenstaande van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad, desgevraagd, heeft erkend is appellant kennelijk eerst bij het primaire besluit van 18 januari 2005 meegedeeld dat hij met ingang van 11 januari 2005 niet langer ongeschikt werd geacht. Aangezien dit is gebeurd met terugwerkende kracht en appellant eerder niet redelijkerwijs kon hebben begrepen weer hersteld te zijn, acht de Raad het bestreden besluit van 21 maart 2005 niet met de vereiste zorgvuldigheid - en mitsdien in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - tot stand gekomen. De hersteldverklaring kon naar het oordeel van de Raad gelet op de verzending van het primaire besluit niet eerder dan per 19 januari 2005 worden geëffectueerd. In aanmerking nemend dat er geen reden is om aan te nemen dat appellants gezondheidstoestand op 19 januari 2005 verschilde van die op 11 januari 2005 ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, dat daarbij in stand is gelaten, moeten worden vernietigd. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; Stelt vast dat appellant met ingang van 19 januari 2005 geen recht meer heeft op ziekengelduitkering; Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde recht van € 140,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op16 mei 2007. (get.) M.C.M. van Laar. (get.) J. Verrips.